Op een bijeenkomst van ministers van Financiën op 26 Januari deed Dijsselbloem een aantal interessante uitspraken. Met name zijn ondersteuning van ‘vrije handel’ was opzienbarend. Wat bedoelt hij daar eigenlijk mee? Met ‘vrije handel’ doelt Dijsselbloem op gesneuvelde projecten als CETA, of TTIP, en ander staand EU-beleid. Helaas voor hem hebben deze zaker echter helemaal niets met vrije handel als zodanig te maken. Met protectionisme en prestigeprojecten voor politici des te meer.

Voor economen is vrije handel niet zo heel lastig. Het betekent handel die vrij is van interventie door de overheid. Dus geen heffingen, belastingen, restricties op kwantiteit, en wat dies meer zij. Voor politici als Dijsselbloem betekent ‘vrije handel’ dat zij de regels opstellen waaraan handelaren moet voldoen om te mogen handelen. ‘Vrije handel’ is voor hen een complex systeem waarin vragen worden behandeld als wie waarom en wanneer en door wie belast mag worden.

Vrije handel als politiek moeras

Waar dat op uitloopt is keurig te zien bij de onderhandelingen rond CETA en TTIP. Jarenlang werd er in geheime kamers onderhandeld door politici en bedrijven. Het resultaat was een schimmige deal. Vanwege de politieke aard ervan kon iedereen er wat van zeggen. Zo werd CETA uiteindelijk binnengehaald via een stemming in het Waalse parlement. Dat is geen handel, dat is politiek. Hetzelfde geldt voor de deals die de EU probeert te sluiten met India, China, en andere landen. Telkens lopen deze stroef omdat beide politieke partijen zich uiterst beschermend opstellen voor een deel van de eigen fabrikanten. Dat het hier om protectionissme en mercantilisme gaat laat Anthony Gardner, de voormalige Amerikaanse ambassadeur voor de EU mooi zien:

I think the Trans-Pacific Partnership Agreement would have been not only important economically to raise economic growth but also, importantly, to help us write the rules of global trade, which is what we’ve been doing for decades.

Ofwel, de politici dienen te bepalen hoe er gehandeld mag worden. Dat is dus geen ‘vrije handel’, maar op zijn best mercantilisme. Dat was de gedachte dat rijkdom van een land afhing van de hoeveelheid goud, in de zin van geld, binnengehaald kon worden. In dat systeem ligt dan ook een enorme nadruk op export. Het is niet moeilijk voor te stellen dat als alle betrokken overheden zo denken er inderdaad veel te onderhandelen valt. Frankrijk was tegen TTIP, “arguing the US has offered little in return for concessions made by Europe.” Een van de redenen om tegen te zijn. Immers, de keerzijde is dat import beperkt zal moeten worden. Dat leidt namelijk tot uitvoer van kapitaal. Dus moeten daar over en weer concessies worden gedaan.

Gevolgen voor de praktijk

De gedachte is dat door de eigen producenten voor te trekken de nationale economie geholpen wordt. Op de lange termijn raakt dit echter aan de innovatieve kracht van ondernemers. Zij hoeven immers niet per sé meer iets te verbeteren, aangezien hun producten beschermd worden of sowieso toch verkocht. Denk hierbij aan de boterbergen en melkplassen, dankzij het collectivistische argrarisch beleid van de EU.

De EU, met Dijsselbloem in dit geval voorop, roepen in de praktijk niet om vrije handel, maar om protectionisme en mercantilisme. Echt vrije handel, u weet die nare vrije handel die Engeland tot een wereldmacht maakte in de 19e eeuw, zal niet ‘zo snel’ door Dijsselbloem en de zijnen toegejuicht worden. Vrije handel betekent simpelweg dat Dijsselbloem en de zijnen niets meer te zeggen hebben over u, waar u een product wilt kopen, waarom, voor welke prijs en kwaliteitsverhouding. De gedachte dat u dat weleens even zelf zou kunnen gaan bepalen is natuurlijk totaal ridicuul. Daarom is het zo fijn dat Dijsselbloem en de zijnen dat voor u regelen, die ‘vrije handel’.

De foto is gemaakt door: Jeff Djevdet

%d bloggers liken dit: