In een analytische bijdrage aan het economisch katern in de Volkskrant van 4 september wordt voorzichtig gesproken over een schisma tussen de Europese Centrale Bank en de regeringsleiders die de landen vertegenwoordigen die de muntunie opmaken. Er wordt gesproken over monetair stimuleren, vertegenwoordigt door de centrale bank én Keynesiaans stimuleren, vertegenwoordigd door regeringsleiders en hun overheden. De conclusie van de bijdrage is dat Draghi niet met één regeringsleider te maken heeft, maar met velen. Ergo: dat zou veranderd moeten worden.

Keynes schreef zijn theorie om te komen tot een volledig werkende beroepsbevolking met de economische crisis van de jaren ’30 indachtig. Om dat doel, in ieder geval theoretisch, te bereiken moest hij een aantal aannames maken, zoals dat productie ‘gewoon’ bestaat. Het is er op magische wijze en kan derhalve ook niet onder invloed staan van wereldlijke benodigdheden als kapitaal, kapitaalgoederen, de mogelijkheid te ondernemen en andere triviale zaken. In een dergelijk scenario, waarin productie ‘gewoon’ bestaat en op magische wijze verschijnt en verdwijnt, hebben sparen en kapitaal opbouwen inderdaad een uiterst negatieve invloed op de economie. Dan wordt er immers nu geld ‘onttrokken’ aan het bestedingsvolume.

In de echte wereld gebruik mensen hun spaargeld en op te bouwen kapitaal juist om dat vervolgens om te zetten naar nog meer kapitaal genererende goederen. De vrouw die spaart om een graafmachine te kunnen kopen voor haar bedrijf zodat ze geen schep meer hoeft te gebruiken om haar werk te verrichten is aan het sparen om kapitaal op te bouwen. Voorwaar een aanfluiting dat zij niet met een schep wil werken. Dat geldt voor grotere bedrijven en fabrieken net zo goed als voor het individu. Zonder sparen, en daarmee kapitaalopbouw, is het niet mogelijk om de eigen productiviteit of efficiëntie te vergroten. Doordat de vrouw een graafmachine heeft kan zij meer verdienen. Doordat zij meer verdient heeft zij de mogelijkheid om iemand in dienst te nemen. Dat is hoe banen ontstaan.

Dit alles bestaat niet in de theoretische wereld van Keynes. Zoals gezegd, productie bestaat gewoon. Daar is geen kapitaal of kapitaalgoed, denk aan machines of gebouwen, voor nodig. Sparen en kapitaalopbouw is logischerwijs dan ook niet nodig om een fabriek neer te zetten. Het enige dat in deze theoretische wereld met geld gedaan mag worden is consumeren, zodat fabrieken hun producten kunnen afzetten en dus zoveel mogelijk mensen aan het werk blijven.

Als nu in weerwil van deze theoretische wereld mensen in de echte wereld gaan sparen om kapitaal op te bouwen, wordt er geld onttrokken aan het totale bestedingsvolume. Dat betekent dat er nu minder gekocht kan worden. Omdat er nu minder gekocht kan worden loopt de productie terug en moeten fabrieken mensen ontslaan en omdat mensen ontslagen worden kunnen mensen minder kopen en moeten fabrieken minder produceren en meer mensen ontslaan, ad, bijna, infinitum. Want op een zeker ogenblik zijn de fabriekshallen natuurlijk leeg. Daarom is sparen en kapitaalopbouw in de Keynesiaanse wereld een probleem. Deze wereld ligt, overigens, vlak naast Neverland. Om dit vermaledijde effect van ‘onttrekken’ van geld aan de economie, door sparen en opbouw van kapitaal, tegen te gaan, moet gezorgd worden dat mensen dat niet meer doen. De rol van de overheid is in dat kader dan ook om aan consumptieve zijde de bevolking te ‘stimuleren’. Meer consumptie is meer productie is minder werkeloosheid is immers het keynesiaanse credo. Dus gaan de rentes omlaag, de geldpers aan en eventueel belastingen op kapitaal omhoog.

De rol van een centrale bank in dit geheel is het, onder monopolistische concessie van de overheid, in potentie oneindig mogen drukken van de fiduciaire media, geld, die tegenwoordig Euro’s heten. Het is met die fiduciaire media dat overheden nu, in het geval van Nederland sinds 1936, de economie stimuleert door deze te ‘bestellen’ bij een centrale bank. Zonder die monopolistische overheidsconcessie aan een centrale bank om het geld in een bepaald geografisch bied te mogen drukken is er geen centrale bank. Zonder een centrale bank is er geen overheid die continu over fiduciaire media kan beschikken als er meer uitgaven zijn dan inkomsten. Combineer dat nu met de theoretische wereld waarin consumptie het enige is dat kan tellen en het is niet moeilijk om in te zien dat een overheid en centrale bank in een innig huwelijk verbonden zijn. Om nu te zorgen dat, let op het originele doel van Keynes, iedereen een baan heeft, moet er geconsumeerd worden. Consumeren vergroot de productie, waardoor meer mensen kunnen werken. Als er geen geld is om uit te geven dan dient de overheid dat te faciliteren door het bij te laten drukken door de centrale bank. Dat moet leiden tot grotere consumptie en dus meer banen. Meer uitgeven om de economie te ‘stimuleren’ is meer ‘geld’ dat bijgedrukt kan worden door de monopolistische centrale bank. Er is dus een continu spel tussen overheden en centrale banken dat dit probleem oplost, in de Keynesiaanse wereld dan.

Het geposeerde probleem dat in de Volkskrant van 4 september wordt geschetst is dan ook volstrekt illusoir. Monetair en Keynesiaans stimuleren zijn twee handen die in dezelfde achterzak van Jan Burger reiken, door middel van het voeden van geldontwaarding en het straffen van kapitaalopbouw. Keynesiaans stimuleren=Monetair stimuleren. Het enige schisma dat er lijkt te zijn is een discrepantie tussen wat de centrale bank wil en wat de centrale bank formeel kan. De Europese Centrale Bank heeft namelijk (nog) niet het mandaat om te doen wat alle nationale centrale banken wel konden doen. Dat is, de mogelijkheid van het ongestoord bijdrukken van geld om de eigen overheid, in casu de bestuurderen van de Europese Unie, uit de brand te helpen. Dit alles louter om de economie te stimuleren. Dat begrijpt u, uiteraard. Om nu dat probleem van de Europese Centrale Bank op te tuigen als een tegenstelling tussen verschillende visies waarin nationale overheden en die centrale bank tegenover elkaar zouden staan is dan ook vergezocht. Dat verschil is net zo echt als de ‘tomāto’ en de ‘tomăto’ als twee verschillende producten te koop aanbieden.

De foto is gemaakt door: Peter Gerdes

  • Emmef

    Heel leuk om te redeneren over geldontwaarding en stimulatie in een economisch model met de centrale bank als geldpers. Maar het is een illusie, aangezien de grootste geldpers bestaat uit private banken. Krediet is schuld is geldcreatie (1). De grootste geldontwaarding komt dan ook door die private banken, die de hoeveelheid giraal geld hebben weten op te pompen tot twintig keer de hoeveelheid geld die de centrale bank ooit heeft gecreëerd (fiduciaire valuta).

    Het is jammer dat alle mainstream economen, economie opleidingen en beleidsmakers de rol van dit endogene geld negeren en nog steeds met modellen werken uit de jaren dertig. En dat ze daarmee ook een aantoonbaar onjuist raamwerk creëren voor dit soort redeneringen.

    (1)
    http://www.bankofengland.co.uk/publications/Documents/quarterlybulletin/2014/qb14q1prereleasemoneycreation.pdf

    • Dat is zeker waar. Dat neemt niet weg dat de mogelijkheid ertoe geschapen wordt door de centrale bank. Centrale banken kunnen dit stoppen als ze willen, aangezien private banken afhankelijk van hen zijn. Zou daar besloten worden schuldpapier een halt toe te roepen, of de rente op dergelijke schuldpapieren niet kunstmatig laag te houden, dan krijgen private partijen een kans zich van de werkelijke kosten te vergewissen.

      Nu worden mensen uitgenodigd deel te nemen aan een gratis banket waar ze straks bij het verlaten van de zaal ineens een hoge prijs zullen moeten betalen. De oorzaak ligt bij de centrale controle op het geldstelsel an sich, waardoor private partijen de kans hebben tot deze schuldcreatie over te gaan.

%d bloggers liken dit: